|
Wat is Autisme?
Autisme komt van het Griekse woord ‘autos’ dat ‘zelf’
betekent. Autos verwijst naar de in zichzelf gekeerde indruk die mensen
met autisme soms maken. Met autisme of autistische stoornissen worden
vaak ook andere termen gebruikt, zoals klassiek autisme, de stoornis van
Asperger, pervasieve en atypische ontwikkelingsstoornissen, het Multiplex
Development Disorder of High Functioning Autism. Deze termen beschrijven
elk een aandoening die behoort tot de autistische stoornissen. In het
Engels spreekt men van Pervasive Development Disorder (PDD).
Uit de naam van de stoornis blijkt niet of het gaat om een lichte of een
zwaardere vorm van autisme. Alle mensen met autisme ervaren ieder voor
zich hun eigen beperkingen en problemen. Soms ervaart alleen de omgeving
dat iemand anders is.
Autistische stoornissen vallen onder de psychiatrische stoornissen en
worden geclassificeerd volgens de criteria van de DSM-IV-TR, een systeem
dat wereldwijd gebruikt wordt.
We weten niet precies hoeveel mensen met autisme er in Nederland zijn.
Daar is namelijk geen onderzoek naar gedaan. Op basis van recente studies
gaan we ervan uit dat autisme bij 0,58% van de bevolking voor komt, met
een onderverdeling naar de verschillende vormen van autisme:
- 0,08% klassiek autisme;
- 0,38% de stoornis van Asperger;
- 0,12% PDD-NOS.
Omgerekend betekent dit dat er in Nederland ongeveer 90.000 mensen zijn
met een vorm van autisme. (Kort uitleggen wat de vormen inhouden?)
(Bron: brochure Autisme Begrijpen, Nederlandse Vereniging van Autisme).
Wanneer is er sprake van een autistische afwijking?
De Diagnostische Criteria Autistische Stoornis, afkomstig uit het Diagnostisch
en Statistisch handboek van Psychische Stoornissen (DSM IV), hanteert
de volgende definitie: er is sprake van een autistische stoornis wanneer:
I. Tenminste zes (of meer) items van A, B en C aanwezig zijn met minstens
twee van A, en een van B en C.
A. Kwalitatieve tekortkomingen in sociale wisselwerking zoals blijkt uit
tenminste twee van de volgende:
1. Opvallende tekortkomingen in het gebruik van meerdere non-verbale gedragingen
zoals oogcontact, gezichtsuitdrukking, lichaamshouding, en mimiek (welke
sociale wisselwerking regelt).
2. Tekortkoming in het ontwikkelen van vriendschappen met leeftijdsgenoten
in overeenstemming met het ontwikkelingsniveau.
3. Een gebrek in het spontaan delen van plezier, interesses of prestaties
met andere mensen, (bijvoorbeeld door een tekortkoming in het verduidelijken
van interesses naar anderen mensen).
4. Een gebrek in sociale of emotionele wederkerigheid (bijvoorbeeld: het
kind doet niet actief mee aan eenvoudige spelletjes die men alleen moet
doen; betrekt andere kinderen uitsluitend als ‘mechanisch hulpstuk’
bij spelletjes).
B. Kwalitatieve tekortkomingen in communicatie zoals blijkt uit minstens
een van de volgende:
1. Vertraging in, of een totaal gebrek aan, de ontwikkeling van de gesproken
taal (welke niet gevolgd wordt door een poging dit te compenseren door
alternatieve mogelijkheden van communicatie, zoals gebaren of mimiek).
2. Bij individuen met goede spreekvaardigheid, opvallende tekortkomingen
in het starten of onderhouden van een gesprek met anderen.
3. Stereotype of herhaald gebruik van taal of eigenaardig taalgebruik.
4. Een gebrek in gevarieerd, spontaan fantasiespel of sociaal imitatiegedrag
overeenkomstig het ontwikkelingsniveau.
C. Opvallend beperkt en stereotype gedragspatroon, interesses en gedragingen,
zoals blijkt uit minstens twee van de volgende:
1. Overdreven in beslaggenomen zijn door een of meer stereotiepe en beperkte
interessegebieden, welke abnormaal zijn in intensiteit of concentratie.
2. Blijkbaar onverzettelijk ten opzichte van specifieke, niet functionele
handelingen of rituelen.
3. Stereotype en repeterende lichaamsbewegingen (zoals handflappen of
draaien met de handen, of complexe bewegingen van het hele lichaam).
4. Hardnekkige preoccupatie met gedeeltes van objecten.
|